messenmaker

Zaterdag 5 mei 2018

Een kokmes als mysterie

Messenmaker Johan van Zanten zocht jaren naar zijn techniek om messen van damaststaal te maken. Een mes met een mysterieus patroon kost hem soms zestig uur.

Tekst: Catrien Spijkerman

Johan van Zanten (30) is wat je noemt een bonk van een kerel, een verschijning die bepaald niet misstaat in zijn Amersfoortse werkplaats tussen de metaalbewerkingsmachines. Hij beoefent een ambacht dat de Vikingen al beheersten; hij maakt messen van damaststaal. Het is het mysterieuze patroon in het metaal dat hem zo aantrekt. “Je hersenen zijn niet in staat om de willekeurigheid ervan te onthouden”, legt hij uit. “Iedere keer als ik zo’n mes oppak, verbaast het me, al heb ik het zelf gemaakt. Het is niet te doorgronden.”
Ondoorgrondelijk, dat geldt ook voor zijn werkwijze. Precies daarom raakte Van Zanten acht jaar geleden gefascineerd. Als hij er bij met smeden over begon, luidde de conclusie doorgaans: mooi ja, maar zo moeilijk. Van Zanten was destijds student werktuigbouwkunde, woonde nog thuis en had een schuur gehuurd bij een boer in de polder. Daar leerde hij zichzelf smeden. Zonder machines, maar slechts met een kolenvuur, metaal, hamer en aambeeld. “Je krijgt feeling met het materiaal als je het met de hand bewerkt: hoe ver kan ik gaan tot het breekt?” Urenlang sloeg hij met een hamer op een aambeeld, smeedde zijn eigen tangen, en metalen rozen voor zijn moeder. Hij was toe aan iets moeilijkers. “Smeden is als kleinen met metaal, maar damasceren is een heel ander verhaal”, glundert hij. “Damast is een pakketje van twee soorten metaal, waarvan meerdere laagjes om en om worden gestapeld. Die plaatjes plak ik aan elkaar door te vuurlassen: heel heet maken en er dan heel hard op hameren.”

Als de plaatjes aan elkaar zijn gelast, vouwt Van anten ze dubbel, en begint het proces opnieuw – totdat het metaal bestaat uit wel 200 lagen. De twee metaaltypen verschillen van kleur; door het vouwen en door het metaal te draaien, ontstaan de mysterieuze patronen. Van Zanten vergelijkt het met een spekje in de vorm van een wokkel: “Dat zijn vier verschillende strengen, maar als je naar de doorsnede kijkt, zie je een ster”.
Na een dag of twee hameren en vouwen, volgt het slijpen. Van Zanten, droogjes: “Ongeveer vier uur achter de vlakslijpmachine, dan acht uur achter de bandschuurmachine.” Vervolgens het schuren met de hand: “Zestien uur met een schuurpapiertje.” En dan moet het handvat nog.

Als hij een patroon al eerder heeft gemaakt, doet hij zo’n zestig uur over een mes. Maar dat is het hem nou juist; hij vogelt graag iets nieuws uit. Bij het uitproberen, wil het metaal nog weleens breken en dan kan hij opnieuw beginnen. “Maar als het gelukt is, geeft dat zo’n fijn gevoel”. Van niets iets te maken, wat ook nog functioneert.” Je zou het bijna vergeten, maar het mes is ‘wel bedoeld als werkpaard, hoor.’ Van Zanten deed bijvoorbeeld uitgebreid onderzoek – op keukenmesfora, met koks – naar de ideale holling van het lemmet voor de beste snij-ervaring. “Maar er zijn ook klanten die het mes op de schouw zetten, als pronkstuk.”